Veilig voedsel: Waar staan we en waar gaan we naartoe?

Veilig voedsel: … waar staan we ?

Ons voedsel is thans relatief veilig is en bovendien de laatste decennia ook in een aantal opzichten aantoonbaar veiliger is geworden. Dit is mede toe te schrijven aan het succesvolle beleid van overheid en bedrijfsleven. Er is dus in kwantitatieve zin nog maar een beperkte extra gezondheidswinst te behalen. Als de belangrijkste resterende problemen werden hierbij aangemerkt:

 

  1. 1. Microbiële voedselinfecties. Jaarlijks zijn er honderdduizenden tot waarschijnlijk meer dan een miljoen gevallen van gastro-enteritis te wijten aan besmet voedsel. Ook zijn voedselinfecties met bekende ziekteverwekkers verantwoordelijk voor enkele honderden ernstige ziektegevallen zoals bijvoorbeeld toxoplasmose of Guillain-Barré syndroom, en sterven er jaarlijks uiteindelijk 20-200 mensen aan de gevolgen van een voedselinfectie.
  2. Voedselallergieën. Naar schatting 2% van de volwassen bevolking heeft last van één of ander type voedselallergie, en bij kinderen is dit zelfs 6%. Meestal gaat het om allergene bestanddelen in normale voedingsmiddelen zoals schaaldieren, melk, vis, tarwe, pinda’s etc. Het is nog onduidelijk of het aantal personen dat last heeft van voedselallergie aan het toenemen is, en in hoeverre dit wordt beïnvloed door een schoner leefmilieu (hygiëne hypothese). Door een adequate etikettering, zijn de gezondheidsproblemen redelijk hanteerbaar te maken.
  3. 3. Voedselincidenten. Hierbij vormen vooral een adequate risicoschatting en de risicocommunicatie met de consument het grootste probleem. Voor het laatste is inzicht in en serieus nemen van de risicoperceptie van de consument essentiëel. Daarnaast kan  een goede risicommunicatie ook het behoud of herstel van het consumentenvertrouwen bevorderen.

 

Door onveilig voedsel wordt een beperkt gezondheidsverlies geleden: Uitgedrukt in aantal sterftegevallen bedraagt het geschatte gezondheidsverlies ten gevolge van voedselinfecties met bekende ziekteverwekkers circa 1.000-4.000 per jaar. Dat is vergelijkbaar met de ziektelast van AIDS of bacteriële meningitis. Deze ziektelast is zeer waarschijnlijk een onderschatting vanwege de nog moeilijk te kwantificeren bijdrage van voedsel aan het grote aantal gastro-enteritis gevallen door onbekende ziekteverwekkers.

Ruw geschat leiden voedselallergieën tot een jaarlijks gezondheidsverlies van circa 1.000 sterftegevallen. Allergie is overigens wel een apart verhaal gezien de specifieke doelgroep. De effecten zijn deels genetisch bepaald en daardoor zeer sterk verschillend per individu. Door een bewuste voedselkeuze zijn ze in principe ook te vermijden. Voor veel andere chemische bestanddelen of verontreinigingen in het voedsel is het gezondheidseffect niet direct waarneembaar, en heeft daardoor vooral een theoretisch karakter. Bovendien is dit theoretische risico vaak een overschatting doordat het in de praktijk om een kortdurende overschrijding van de norm gaat, maar ook door de gebruikte veiligheidsfactoren en/of de conservatieve  wijze van risiscoschatting (het laatste met name bij genotoxische kankerverwekkende stoffen). Het aldus geschatte theoretische gezondheidsverlies door chemische stoffen bedraagt jaarlijks ongeveer tussen de 500-1000 sterftegevallen.

 

De voedselincidenten die de afgelopen jaren in ons land hebben plaatsgevonden, veroorzaakten weinig of geen gezondheidsverlies. Ze doen echter wel steeds een aanslag op het vertrouwen van de consument in de overheid als hoeder van onze voedselveiligheid, en ook op het vertrouwen in de integriteit van de voedingsmiddelenindustrie. Hoewel soms anders wordt gesuggereerd zijn er geen aanwijzingen voor een persistent of toenemend gebrek aan vertrouwen van de consument in de voedselveiligheid (Timmers & De Jonge, 2004). De onrust is vooral bij voedselcrises, en dan nog deels door een slechte communicatie. Door het beter inschatten van het feitelijke gezondheidsrisico en het meer open en transparant communiceren van dit risico naar de consument, kan deze aanslag op het vertrouwen verminderd of voorkómen worden. Maar goede methoden voor risicoschatting zijn helaas niet altijd voorhanden, en de risicoperceptie van de consument blijkt in de communicatie vaak een belangrijkere factor te zijn dan het objectief berekende risico.