Gezonde voeding en veilig voedsel in Nederland

Gezonde voeding: Waar staan we en waar gaan we naartoe?

 

Waar staan we?                                        Schijf-van-Vijf-vaknamen-300x233

 

Onze huidige voedingsgewoonten Schijf van vijf 2zijn overwegend ongezond. Niet alleen eten we te veel en worden we te dik, ook de samenstelling van onze voeding staat nog ver af van de aanbevolen gezonde voeding. Als de belangrijkste problemen werden hierbij aangemerkt:

 

  1. Overgewicht en obesitas ten gevolge van een verstoorde energiebalans (te veel energie-inname t.o.v. energiegebruik). Obesitas vormt een belangrijke risicofactor voor diabetes mellitus type 2, maar ook voor hart- en vaatziekten, galziekten, aandoeningen van het bewegingsapparaat en verschillende vormen van kanker. De trend is bovendien ongunstig, waarbij de toename van de prevalentie bij jonge kinderen het meest zorgelijk is.
  2. Ongunstige vetzuursamenstelling van de voeding. Dit vergroot de kans op hart- en vaatziekten. Ondanks productverbeteringen door de industrie en een toename van de visconsumptie, consumeert slechts 5% van de mensen in Nederland een vetzuurpatroon zoals aanbevolen.
  3. Te lage consumptie van groente en fruit. Dit geeft een verhoogde kans op coronaire hartziekten, beroerte en enkele vormen van kanker (long-, borst- en maagkanker). Hierbij is tevens sprake van een ongunstige trend, met een 15-20% daling van de consumptie in tien jaar tijd.

 

Door ongezonde voeding wordt aanzienlijk gezondheidsverlies geleden:

 

Overgewicht en obesitas dragen voor circa 50% bij aan zowel de incidentie als de sterfte ten gevolge van diabetes mellitus type 2. Een ongunstige voedingssamenstelling is verantwoordelijk voor ongeveer 25% van de incidentie en sterfte aan hart- en vaat  ziekten. Onder de bevolking van 20 jaar en ouder is het totale jaarlijkse gezondheidsverlies door overgewicht en ongunstige voedingssamenstelling voor elk afzonderlijk berekend op circa 40.000 nieuwe gevallen van ouderdomsdiabetes, hart- en vaatziekten en kanker tezamen.

 

Waarmee lasten terugdringen overgewicht?

 

De gezondheidswinst die bij overgewicht en obesitas kan worden bereikt met een op kleinschalige experimenten gebaseerde interventie (middenscenario: 3 kg afvallen (1 BMI-eenheid)) bedraagt ongeveer een kwart van het totaal aantal aan overgewicht toegeschreven ziekte- en sterfgevallen. Met eveneens op kleinschalige experimenten gebaseerde voedingsinterventies (middenscenario’s) kan ongeveer de helft van de aan de voedingssamenstelling toegeschreven ziektegevallen en ook de helft van de gerelateerde sterfgevallen worden teruggewonnen . Gezien de ongunstige trend en de beperktere te behalen gezondheidswinst lijkt overgewicht dus een moeilijker te bestrijden probleem dan een niet optimale voedingssamenstelling.

 

Er zijn tal van initiatieven op het gebied van kleinschalige interventie. Een voorbeeld van kleinschalige interventie kunt u vinden op Proteïne diëten.

 

 

Gezonde voeding: … en waar gaan we naar toe ? Huidige en toekomstige trends:

 

De trends voor visconsumptie en inname van verzadigde- en transvetzuren waren de laatste jaren gunstig,  de laatste twee vooral door toedoen van productmodificatie door het bedrijfsleven. Voor de groente- en fruitconsumptie waren de trends echter ongunstig. Ondanks een verwachte toename van het aantal producten dat past in een verantwoord voedingspatroon (b.v. betere vetzuursamenstelling, minder energierijke producten) zal het totale pakket voedingsmiddelen er niet gezonder op worden. Dit heeft onder andere te maken met de groeiende voorkeur van de consument voor ‘gemaksvoedsel’, en dat voldoet vooralsnog niet aan de aanbevelingen voor een gezonde voeding. Ook ten aanzien van de prevalentie van overgewicht en obesitas is de verwachting dat deze nog verder zullen toenemen. Gegeven de huidige trend lijkt een toename van obesitas met 50% in 2020 zelfs waarschijnlijk, waardoor dit het snelst groeiende voedingsgerelateerde volksgezondheidsprobleem blijft. Als de genoemde  trends aanhouden dan zal de levensverwachting op basis van onze berekeningen voor 40-jarigen (bij gelijk blijven van andere factoren) in de toekomst voor het eerst sinds lange tijd kunnen gaan dalen.

____________

Specifieke gezondheidsbevorderende voedingsmiddelen (SGV’s) en voedingssupplementen: Hoewel halfvolle-, magere- en “light”-producten de laatste decennia hebben bijgedragen aan het verbeteren van onze voeding, vormen de functionele voedingsmiddelen met specifieke bio-actieve ingrediënten niet de oplossing voor de problemen van een ongezonde voeding.

Alleen voor specifieke risicogroepen zoals kinderen of ouderen met suboptimale micronutriëntstatus kan de consumptie van SGV’s of voedingssupplementen tot een beperkte gezondheidswinst leiden. Bovendien is er bij de consumptie van dit soort producten ook een reële kans op gezondheidsverlies door de inname van te grote hoeveelheden van de bio-actieve ingrediënt, bijvoorbeeld door te hoog gedoseerde producten of door stapeling via verschillende producten. Daarnaast verwachten deskundigen voor de toekomst slechts een beperkte toename in de consumptie van dit type  producten, deels door de hogere prijsstelling en deels door de kleine doelgroepen.

 

Veilig voedsel: Waar staan we en waar gaan we naartoe?

 

Veilig voedsel: … waar staan we ?

Ons voedsel is thans relatief veilig is en bovendien de laatste decennia ook in een aantal opzichten aantoonbaar veiliger is geworden. Dit is mede toe te schrijven aan het succesvolle beleid van overheid en bedrijfsleven. Er is dus in kwantitatieve zin nog maar een beperkte extra gezondheidswinst te behalen. Als de belangrijkste resterende problemen werden hierbij aangemerkt:

 

  1. 1. Microbiële voedselinfecties. Jaarlijks zijn er honderdduizenden tot waarschijnlijk meer dan een miljoen gevallen van gastro-enteritis te wijten aan besmet voedsel. Ook zijn voedselinfecties met bekende ziekteverwekkers verantwoordelijk voor enkele honderden ernstige ziektegevallen zoals bijvoorbeeld toxoplasmose of Guillain-Barré syndroom, en sterven er jaarlijks uiteindelijk 20-200 mensen aan de gevolgen van een voedselinfectie.
  2. Voedselallergieën. Naar schatting 2% van de volwassen bevolking heeft last van één of ander type voedselallergie, en bij kinderen is dit zelfs 6%. Meestal gaat het om allergene bestanddelen in normale voedingsmiddelen zoals schaaldieren, melk, vis, tarwe, pinda’s etc. Het is nog onduidelijk of het aantal personen dat last heeft van voedselallergie aan het toenemen is, en in hoeverre dit wordt beïnvloed door een schoner leefmilieu (hygiëne hypothese). Door een adequate etikettering, zijn de gezondheidsproblemen redelijk hanteerbaar te maken.
  3. 3. Voedselincidenten. Hierbij vormen vooral een adequate risicoschatting en de risicocommunicatie met de consument het grootste probleem. Voor het laatste is inzicht in en serieus nemen van de risicoperceptie van de consument essentiëel. Daarnaast kan  een goede risicommunicatie ook het behoud of herstel van het consumentenvertrouwen bevorderen.

 

Door onveilig voedsel wordt een beperkt gezondheidsverlies geleden: Uitgedrukt in aantal sterftegevallen bedraagt het geschatte gezondheidsverlies ten gevolge van voedselinfecties met bekende ziekteverwekkers circa 1.000-4.000 per jaar. Dat is vergelijkbaar met de ziektelast van AIDS of bacteriële meningitis. Deze ziektelast is zeer waarschijnlijk een onderschatting vanwege de nog moeilijk te kwantificeren bijdrage van voedsel aan het grote aantal gastro-enteritis gevallen door onbekende ziekteverwekkers.

Ruw geschat leiden voedselallergieën tot een jaarlijks gezondheidsverlies van circa 1.000 sterftegevallen. Allergie is overigens wel een apart verhaal gezien de specifieke doelgroep. De effecten zijn deels genetisch bepaald en daardoor zeer sterk verschillend per individu. Door een bewuste voedselkeuze zijn ze in principe ook te vermijden. Voor veel andere chemische bestanddelen of verontreinigingen in het voedsel is het gezondheidseffect niet direct waarneembaar, en heeft daardoor vooral een theoretisch karakter. Bovendien is dit theoretische risico vaak een overschatting doordat het in de praktijk om een kortdurende overschrijding van de norm gaat, maar ook door de gebruikte veiligheidsfactoren en/of de conservatieve  wijze van risiscoschatting (het laatste met name bij genotoxische kankerverwekkende stoffen). Het aldus geschatte theoretische gezondheidsverlies door chemische stoffen bedraagt jaarlijks ongeveer tussen de 500-1000 sterftegevallen.

 

De voedselincidenten die de afgelopen jaren in ons land hebben plaatsgevonden, veroorzaakten weinig of geen gezondheidsverlies. Ze doen echter wel steeds een aanslag op het vertrouwen van de consument in de overheid als hoeder van onze voedselveiligheid, en ook op het vertrouwen in de integriteit van de voedingsmiddelenindustrie. Hoewel soms anders wordt gesuggereerd zijn er geen aanwijzingen voor een persistent of toenemend gebrek aan vertrouwen van de consument in de voedselveiligheid (Timmers & De Jonge, 2004). De onrust is vooral bij voedselcrises, en dan nog deels door een slechte communicatie. Door het beter inschatten van het feitelijke gezondheidsrisico en het meer open en transparant communiceren van dit risico naar de consument, kan deze aanslag op het vertrouwen verminderd of voorkómen worden. Maar goede methoden voor risicoschatting zijn helaas niet altijd voorhanden, en de risicoperceptie van de consument blijkt in de communicatie vaak een belangrijkere factor te zijn dan het objectief berekende risico.

 

Veilig voedsel: … en waar gaan we naar toe ?

In het algemeen is de verwachting van deskundigen dat ons voedsel mogelijk nog iets veiliger wordt dan het nu al is. Dit komt vooral door het verder verbeteren van de ketenbeheerssystemen in alle sectoren, en de verwachte toepassing van microbiële decontaminatiemethoden op producten van dierlijke oorsprong. Er wordt géén afname verwacht van microbiële voedselinfecties die het gevolg zijn van onjuist bewaar- en bereidingsgedrag van consumenten thuis. Eerder is de veronderstelling dat de kennis van de consument over voedselbereiding en de daarbij te betrachten hygiëne afneemt.

 

Daarnaast zullen mogelijke nieuwe bedreigingen door globalisering van de voedselproductie en de afzetmarkten om aandacht blijven vragen. De voedselveiligheid wordt daardoor kwetsbaarder. Dit kan onder andere tot uiting komen in nieuwe incidenten die waarschijnlijk niet in frequentie maar wel in omvang kunnen toenemen. Door zulke incidenten zal een nog groter beroep gedaan worden op adequate methoden voor monitoring en risicoschatting en een goede risicocommunicatie met de consument. Het laatste niet alleen om te verhinderen dat het consumentenvertrouwen wordt geschaad, maar juist om  ervoor te zorgen dat de overheid door alert te zijn op incidenten en hierover open en eerlijk te communiceren aan vertrouwen (her)wint.

 

 

LITERATUUR

ONS ETEN GEMETEN

Oers JAM van (eindred.). Gezondheid op koers? Volksgezondheid Toekomst Verkenning 2002. RIVM rapportnr. 270551001. Houten: Bohn Stafleu Van Loghum, 2002. Rougoor C, Weijden W van der, Bol P (red.) Voedselveiligheid tot (w)elke prijs? Essays en verslag van een conferentie. Stuurgroep Technology Assessment, Ministerie van LNV, 2003

Timmers JCM, Jonge J de. Consumentenmonitor 2003. Den Haag: Voedsel en Waren Autoriteit, juni 2004. VAI. Beleid van de Nederlandse Voedingsmiddelen Industrie inzake het terugdringen van overgewicht. Den Haag: april 2004. Ons eten gemeten